Geschiedenisleraar.nl

Vandaag was bij EenVandaag een reportage te zien over de tunnelgravers van de Eerste Wereldoorlog. Voor het eerst zijn (Britse) historici bezig met het in kaart brengen van dit verborgen stukje oorlog.

Omdat de oorlog na enkele maanden vastgelopen was in een loopgravenoorlog, zochten de strijdende partijen naar andere manieren om elkaar stellingen te bestoken. Het graven van een tunnel, om deze vervolgens te vullen met springstof, moest ervoor zorgen dat de vijandige loopgraven zouden worden vernietigd.

Al 164 afleveringen lang maakt Tom Tacken, via zijn website Veertien Achttien, podcasts over de Eerste Wereldoorlog. Zijn doel is om in 230 de gehele geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog te vertellen. Zoals hij zelf aangeeft komt iedereen aan het woord: politici, kunstenaars, soldaten, vorsten, denkers, schrijvers, burgers.

Waarom de Eerste Wereldoorlog? Tacken op zijn website:

“Het is, denk ik, waar wat ik Geert Mak aan het begin van de tv-serie In Europa hoorde zeggen: ‘Nu ook in Nederland de generatie van de Tweede Wereldoorlog aan het uitsterven is, lukt het ons om langs die oorlog heen te kijken en zicht te krijgen op de Eerste Wereldoorlog.’”
 
“Die neutraliteit van ons hebben we lang volgehouden. Maar de onverschilligheid lijkt nu echt verdwenen. Er is in Nederland onmiskenbaar sprake van een groeiende interesse in de Eerste Wereldoorlog, een groeiend besef dat je de geschiedenis van ons tijdsgewricht niet kunt bevatten zonder de Grote Oorlog te kennen.”

De podcasts zijn via zijn site te beluisteren of via iTunes en zijn zeker de moeite waard voor iedereen die meer wil weten over de Eerste Wereldoorlog.

Tijdens de VGN didaktiekdagen ben ik tijdens een workshop ingegaan op de mogelijkheden van het digitale schoolbord in de geschiedenisles. Die zijn er legio.

Nolan Bushnell, oprichter Atari:

“Wanneer jongeren op school komen, wordt hun leven vol moderne technologieën uitgezet. Dat wekt verveling en weerzin. Een docent met een krijtje voor een schoolbord is meestal niet erg boeiend.”

Help…we lopen achter!
Ik kan chargeren en stellen dat de meeste van ons, stoffige geschiedenisleraren m/v, het vak (soms) even stoffig brengen als de arena van het Colosseum. Dat we zweren bij het vertellen van verhalen (dat vinden ze mooi) en nogal wars zijn van vaardigheden, veranderingen en ict. Dat kan ik doen… daarom doe ik dat dan ook. Het is misschien kort door de bocht. Inderdaad ze vinden het luisteren naar verhalen prachtig en ja, er zijn ook minder stoffige geschiedenisleraren. Realiteit is echter dat onze leerlingen hun informatie op meerdere manieren verkrijgen dan via onze prachtige verhalen.

Wij en zij
Zij, die behoren tot zogenaamde generatie Einstein, hebben smartphones (iPhone), notebooks, netbooks, tablets (iPad) en iPods. Hierdoor hebben ze in principe de hele dag toegang tot digitale content, zoals films en muziek, maar ook internet. Vanzelfsprekend is dat ze dit ook gebruiken. En dat doen ze dan ook in ruime mate, tezamen met social networks als Facebook, MSN, Hyves. Zij vinden het vanzelfsprekend dat je via dit medium en met deze mogelijkheden reageert, maar ook een reactie terugkrijgt. Interactie dus.
En wij dan? Zoals reeds eerder geschetst lopen wij een beetje achter, maar wij hebben andere dingen en soms ook andere kwaliteiten. Docenten hebben hersenen, een diploma én een digitaal schoolbord. In welke volgorde en mate is overigens van geen enkele importantie voor het verdere verloop van dit artikel.

Wow, een digibord! En nu…?
Tof, cool, gaaf, wow! En andere bewoordingen die je normaal gesproken alleen uit de monden van je leerlingen hoort. Je schoolleiding heeft met geld gesmeten en de school voorzien van digitale schoolborden. Soms ligt hier een visie ten grondslag aan, meestal zijn de schoolleiders op cursus geweest en hebben ‘de toekomst van het onderwijs’ gezien. En daar ben jij mooi mee opgezadeld. Lekker dan. In die cursus hebben de teamleiders te horen gekregen dat er aan het digitale schoolbord voordelen zitten: mogelijkheden voor heldere presentaties, een heldere organisatie van bronnen, meer interactie, het leerproces zichtbaar maken (bijvoorbeeld door stemkastjes te gebruiken!), meer samenwerkend leren, meer gemotiveerde leerlingen. Over dat laatste schreef digitaal onderwijsgoeroe Steve Kennewell:

”De veranderingen in het lesgeven en de leeromgeving, veroorzaakt door het digibord, zorgen voor een grotere motivatie bij leerlingen ten opzichte van lessen met een krijtbord”

Voordelen en voorbeelden
Er zitten veel voordelen aan een digibord. Ook voor ons vak. Of beter gezegd: juist voor ons vak. Wat kan je dan allemaal met de digitale variant van het krijtbord? Allereerst alle dingen die je ook met de analoge versie kunt doen: schrijven, tekenen en huiswerk opgeven.
Maar daarnaast kun je het digibord voor een heleboel andere zaken gebruiken: Powerpoint, filmbeelden (al dan niet uit YouTube), podcast, video podcast, tijdbalken en Google maps en/of Google Earth.

Tijdbalken. Het mooie van tijdbalken is dat ze, mits goed gemaakt, helder en in één oogopslag veel dingen duidelijk kunnen maken. Dat is al zo in een lesmethode of op een krijtbord. Maar op een digibord kun je de tijdbalk bij wijze van spreken tot leven kan laten komen. Er zijn een paar goede, eenvoudig te hanteren programma’s voor het maken van mooie interactieve tijdbalken. Met het programma Timeline 3D (Beedocs.com) maak je als het ware een 3D-reis door je tijdbalk. Het is een tijdbalk die je helemaal naar eigen smaak kunt inrichten, inclusief begeleidende afbeeldingen en/of teksten. De tijdbalken zijn in het programma af te spelen, maar ook te exporteren naar verschillende formaten (zoals mp4 voor de iPod) zodat ook leerlingen er bij kunnen via bijvoorbeeld het schoolnetwerk of de elo (elektronische leeromgeving). Eén groot nadeel is dat het alleen voor Apple computers geschikt is.

 

Google Maps. Een handig programma om te kijken wat de route is, hoe lang je er over doet en hoeveel kilometers je kunt declareren op een studiemiddag is Google maps. Maar wellicht minder bekend is de mogelijkheid om zelf kaarten te maken. Deze kunnen over elk willekeurig onderwerp gaan: de groei van een stad in de Gouden Eeuw met daarin de tien plekken die kenmerkend zijn voor de stad in die periode (Amsterdam), alle kerken in Utrecht enzovoort. Handig is dat je ook hier bijschriften, afbeeldingen en zelfs zelfgemaakte video’s kan toevoegen, zodat de leerlingen een reis maken door de tijd aan de hand van jouw kaart op Google Maps.

Interactiviteit of eigenlijk het gebrek eraan
Allemaal erg mooi natuurlijk, maar echt interactief zijn deze voorbeelden nog niet. Twintig jaar geleden vond iedereen alles waar een knop op zat al interactief, maar tegenwoordig vinden we dat pas als er écht interactie is tussen leraar, leerlingen, machine en lesstof. En laat dat nou net hetgeen zijn dat onze leerlingen wel graag willen:

J. Boschma en Inez Groen, Generatie Einstein:

“Eenrichtingsverkeer dus, waarbij de zender vertelt en de ontvanger niets anders kan dan luisteren (of erbij weglopen). Interactie tussen de zender en de ontvanger komt maar weinig voor binnen de klassieke vormen van communicatie. Maar ook al bieden digitale vormen van communicatie nieuwe en unieke mogelijkheden tot interactie, ook daar zie je dat het nauwelijks gebeurt.”

TimeRime. Op welke manier kan je de lesstof met een digibord wel interactief maken? Hiervoor zijn talloze manieren. Eerst eens terug naar de tijdbalken. Op internet is een website te vinden dieTimeRime heet. Met deze site kan je zelf bij elk onderwerp tijdbalken maken. Jij, maar ook je leerlingen! Geef ze opdracht een tijdbalk te maken van hun eigen leven (onderbouw) of van de koloniale relatie tussen Nederland en Indonesië (bovenbouw), waarbij ze zich moeten beperken tot maximaal 10 gebeurtenissen. Vervolgens moeten ze deze aan de klas presenteren.
 

Google Maps. Ditzelfde kan je doen met het eerdergenoemde Google Maps. Laat leerlingen ter voorbereiding van een stadswandeling of excursie een eigen route door de stad maken. Sterker nog: gebruik de wandelingen en van de leerlingen eens in plaats die van je zelf! Je bent nooit te oud om iets nieuws te leren!

Jumbo. Maar zelfs zonder gebruik te maken van extra software, kan op het digibord mooi en leuk materiaal worden gemaakt. Zo is er sinds een paar jaar het kaartspel ‘Vroeger of later’ (Jumbo). Hierbij staat op de ene kant van een kaart een gebeurtenis en op de andere kant het juiste jaartal. Zonder naar het jaartal te kijken moeten de leerlingen één voor één een kaart neerleggen die vroeger of later was. Steeds zonder te kijken. Dit kan natuurlijk ook zonder al te veel problemen op het digibord: een aantal afbeeldingen en gebeurtenissen koppelen aan een jaartal. Het jaartal blinderen met witte inkt en vervolgende te voorschijn ‘toveren’ met de digitale wisser!

Screencast
Een relatief nieuwe techniek is het gebruiken van screencasts. Op internet kom je ze dikwijls tegen als video-handleiding bij een bepaald programma. Zoals de naam al zegt maak je als het ware een uitzending waarbij de handelingen op jouw bureaublad worden gefilmd terwijl je zelf een gesproken instructie geeft. Het grote voordeel ten opzichte van een ‘losse Powerpoint’ is dat nu ook het verhaal erbij wordt verteld en het niet alleen een paar losse dia’s achter elkaar zijn. Handig voor de leerling die ziek is geweest tijdens jouw presentatie in de les!

Jij bent de regisseur
Hoe mooi alle digitale mogelijkheden ook zijn, het is gemakkelijk om grip te verliezen: op de leerlingen en op het proces. Hoe makkelijk is het om in deze digitale tijd te zeggen “ zoek maar even via Google”. Jammer, maar het gaat daar al hopeloos mis. Want dan blijken onze leerlingen toch iets minder Einstein te zijn dan ons wordt verteld. Het puberbrein kan helemaal niet omgaan met deze chaos en het maken van keuzes! Het devies is dus: geef ze wat te kiezen, dat vinden ze erg belangrijk, maar bepaal zelf waar en wat ze kunnen kiezen. Het afbakenen van de informatie is van belang het digibord kan hierbij helpen (maak een verhaal over de oorzaken van de Franse Revolutie aan de hand van vier afbeeldingen, maar zet ze eerst in de goede volgorde). In een elektronische leeromgeving kan de docent de (tekst)bronnen die gebruikt moeten worden bijvoorbeeld al klaar zetten.

Het moge duidelijk zijn dat het digibord en andere digitale didaktiek veel voordelen biedt, maar zoals ook tijdens de workshop werd opgemerkt, ontwikkeling ervan kost veel tijd. Het wiel hoeft echter niet steeds te worden uitgevonden, er zijn genoeg voorbeelden en materialen te vinden die je direct kunt toepassen.

Deze maand is het 100 jaar geleden dat Anthony Fokker met zijn legendarische vliegtuig De Spin rondjes vloog boven Haarlem. Ter ere van deze belangrijke gebeurtenis, is er een tentoonstelling in de St. Bavokerk. Daar is De Spin ook te zien.

Vliegen was in die tijd nog een behoorlijk riskante gebeurtenis. De eerste gemotoriseerde vlucht was 8 jaar daarvoor gemaakt door de Amerikaanse gebroeders Wright, maar in de eerste jaren van de luchtvaart waren de succesvolle vluchten bijna even talrijk als de (dodelijke) ongevallen.

Het was nog niet echt veel in die tijd, een vliegtuig: hout, doeken, een paar ijzerdraden en een motor. De piloten zaten dikwijls op een gewone stoel en van veiligheidsgordels was nog maar weinig terug te vinden. Echt pionierswerk dus. Je hebt dus echt lef nodig!

Daarnaast was er, eigenlijk net als tegenwoordig, veel geld voor nodig. Heel veel geld. Anthony Fokker was niet arm. Hij was de zoon van koffieplanter die in Nederlands-Indïe miljoenen had vergaard. Papa Herman Fokker leende hem het geld en gecombineerd met het talent van Anthony werd het toestel gebouwd. Op 31 augustus 1911 vloog hij zijn rondjes boven Haarlem.

Anthony was niet alleen een lefgozer van 21. Hij was ook een slimme ondernemer: de Duitse luchtmacht had, mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, vliegtuigen nodig. In totaal bouwde Fokker zo’n 700 vliegtuigen voor de Duitsers. Hiermee vergaarde hij zo’n 160 miljoen euro.

De Nederlanders waren minder geïnteresseerd in de vliegtuigen van Fokker. Zij kozen liever voor Duitse- of Franse toestellen. Dit frustreerde Fokker dermate dat hij besloot om zich in Duitsland te gaan vestigen en alleen nog maar voor de Duitsers vliegtuigen te maken.

De Duitsers gaven hem veel vrijheid, waardoor Fokker al zijn creativiteit kwijt kon. Eén van zijn uitvindingen was de techniek waarmee je met een mitrailleur door de propeller van je vliegtuig heen kon schieten, zonder de propeller te raken: het schieten stopt zodra de propeller voorbij komt. Die gaat echter zo snel dat je weinig merkt van de mitrailleur die even stopt. Andere landen gebruikten hiervoor metalen plaatjes op de propeller, zodat de kogels werden afgeketst. Het werkte, maar was een stuk minder effectief. Immers, waar gaan afgeketste kogels naartoe? Door Fokker waren de Duitsers in de oorlog de baas in de lucht.

Met één van deze Duitse piloten was Fokker goed bevriend: Manfred van Richthoven, ook wel bekend als De Rode Baron. Deze piloot haalde in een Fokker Dr.I zo’n 80 vijandige vliegtuigen neer. Een aantal dat in de Eerste Wereldoorlog door geen andere piloot is geëvenaard.

Na de oorlog keerde Fokker terug naar Nederland en richtte hij de Nederlandse Vliegtuigenfabriek op. Hij bleef niet lang in Nederland: 1922 vertrok hij naar de Verenigde Staten en werd hij officieel Amerikaan.

In 1939 overleed Anthony op 49-jarige leeftijd aan complicaties na een operatie aan zijn neusholten. Het bedrijf Fokker bleef bestaan tot 1996. Toen ging het bedrijf failliet. Momenteel zijn er echter wel weer plannen om het bedrijf een nieuwe leven in te blazen.

Meer over Anthony Fokker en de eerste jaren van de luchtvaart is te vinden in Quest Historie 3 -2011.

De Nederlandse Staatsloterij heeft een bijzonder cadeau gekregen voor haar 285ste verjaardag. De loterij kreeg een staatslot uit 1809, voor zover bekend een van de oudste nog bewaarde loten.

Het lot was in het bezit van een bejaarde Zaandammer. De man had het ruim 200 jaar oude lot in een la liggen. Hij kreeg het van zijn vader, maar hoe die eraan kwam, kon hij niet zeggen. Ook is niet meer te achterhalen of er met het lot ooit een prijs is gewonnen.

De voorloper van de Staatsloterij, de Generaliteitsloterij, werd in 1726 opgericht. Tijdens de Franse bezetting (1795-1813) werd het de Keizerlijke Hollandse Loterij en in 1813 veranderde koning Willem I deze in de Nederlandsche Loterij. Sinds 1848 heet de loterij officieel de Nederlandse Staatsloterij. Tot die tijd had de koninklijke familie veel invloed op de loterij. Na 1848 kwam de loterij onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën. Vanaf 1992 werd de SENS (Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij) hiermee belast.

Waren er in 1915 nog slechts 3 trekkingen per jaar, tegenwoordig zijn er maandelijkse trekkingen en nog extra trekkingen met Koninginnedag en Oudejaar. Overigens bestaat het bekende logo sinds 1972 en is sindsdien niet meer veranderd.

In Jeruzalem is een juweel teruggevonden dat meer dan 2.000 jaar oud is. Het gaat om een gouden belletje dat volgens de vinders destijds verloren werd door een hogepriester van de (tweede) tempel.

Het kleinood werd tijdens een opgraving aangetroffen in een oude waterleiding die het water verdeelt van de Siloué-bron, in de Palestijnse wijk Silwan in het bezette en geannexeerde Oost-Jeruzalem.

Volgens de verantwoordelijken van de opgraving zou het belletje waarschijnlijk verloren zijn door een hogepriester van de tempel. In de bijbel staat beschreven hoe zij dergelijke juwelen droegen.

Een aanslag in Kabul of Bagdad, tientallen doden die hier in Europa alleen nog maar voor de statistieken worden vermeld als het gaat om de bloedigste maand van het jaar. Een schietincident op een Amerikaanse school: dat krijg je met een dergelijke wapenwetgeving. En ook aanslagen in Israel worden bijna gelaten aangehoord.

Aanslagen horen bij een ander deel van de wereld, maar niet bij Europa. De realiteit is echter anders. We schrikken heel erg, zijn bijna verbaasd, als er een aanslag veel dichterbij plaatsvindt. De terroristische aanslagen in Noorwegen bewijzen dat eens te meer. Of het schietincident in Alphen aan de Rijn.

Verder terug in de geschiedenis blijken terroristische aanslagen helemaal niet een niet-Europees verschijnsel.

Een in Engeland bekende poging tot een zeer bloedige aanslag, was het plan om een groot aantal parlementsleden te doden door het plaatsen van een grote hoeveelheid buskruit onder het paleis van Westminster in november 1605. De aanslag werd verijdeld, na het bekende Buskruitverraad, en wordt in delen van Engeland nog steeds herdacht. De dader Guy Fawkes was verraden door een vriend en werd in 1606 ter dood veroordeeld.

Recenter in de geschiedenis zijn talloos de aanslagen van de IRAETAen RAF, waarbij honderden doden op Europees grondgebied zijn gevallen.

Maar ook Palestijnse aanslagen vinden op Europees grondgebied plaats: het opblazen van een Swissair toestel in 1970 en nog bekender de aanslag op het Israëlische sportteam tijdens de Olympische Spelen in München in 1972. Dat overigens door allerlei ingewikkelde Europese politieke oorzaken is verergerd.

Helaas is een meer hedendaags fenomeen, en dat is wellicht minder Europees, aanslagen met veel slachtoffers. De bomaanslag op de Panam-Boeing boven Lockerbie. De aanslagen in London in 2007, de aanslagen in Madrid in 2004 en nu in Noorwegen, doen ons in Europa toch wel beseffen dat ook wij een deel van de wereld zijn, waarin aanslagen gepleegd kunnen worden.

Aanslagen in Europa: we kunnen er maar moeilijk aan wennen en misschien moeten we dat ook wel helemaal niet proberen.